Verenigingsblad

Twee maal per jaar verschijnt ons verenigingsblad met daarin onderwerpen van uiteenlopende aard. Verenigingsactiviteiten, intervieuws, historische onderwerpen etc.

 

Mei 2007

December 2009

December 2011

 

 

Hieronder een artikel uit ons blad van mei 2006

 

Op een meerdaagse busreis raakten we, tijdens het diner, in gesprek met een echtpaar uit Spijkenisse. Dikwijls begint zo’n gesprek met de vraag “waar komen jullie vandaan of in welke plaats wonen jullie”. Op ons antwoord “wij wonen in Arkel bij Gorinchem” reageerde onze tafelgenoot belangstellend, “ligt Arkel niet in de omgeving van Kedichem?”. Ja dat is inderdaad zo, bevestigden wij, ons verbaasd afvragend, waar zou dit gesprek heengaan. Na nog even wat heen en weer te hebben gepraat kregen we het volgende verhaal van onze tafelgenoot te horen:

Mijn ouders hadden vroeger een vrachtschip en vervoerden daar de meest uiteenlopende ladingen mee. In de vakanties mochten wij, de kinderen, meevaren, maar zodra de vrije dage voorbij waren moesten we terug naar de schippersschool. Eind augustus 1944, ik was toen 14 jaar, hadden we een lading speciaal zand aan boord voor de glasfabriek in Leerdam. Deze lading was de eerste dagen van september gelost. Inmiddels was de z.g. “dolle dinsdag”aangebroken. (Deze dinsdag in september is met deze naam de geschiedenis ingegaan vanwege de chaotische toestanden waarin het Duitse leger op de vlucht was voor de oprukkende geallieerde troepen vanuit Frankrijk en België). Vanuit de lucht werden alle trein en scheepvaartbewegingen aangevallen door Engelse jachtvliegtuigen. M’n vader durfde de terugtocht naar Rotterdam, onze thuishaven, dan ook niet meer te ondernemen. Op een donkere nacht zijn we daarop naar een put bij de steenfabriek in Heukelum gevaren. Afgeschermd door een griend en wat hogere bomen was ons schip hier vanaf de Lingedijk niet te zien en betrekkelijk veilig voor Duitse patrouilleauto’s. Overigens lagen hier ook nog enkele andere boten te schuilen. Echter toen de maand november aanbrak en wij daar nog steeds lagen en de bladeren gingen vallen begonnen we knap benauwd te krijgen. Het duurde dan ook niet lang of er kwam een Duitse boot langszij, de bemanning inspecteerde ons schip van boven tot onder. Gelukkig vertrokken ze weer ons in grote spanning achterlatend. Een week later was de Duitse patrouilleboot er weer. ons schip werd gevorderd en we moesten vanuit de put bij de steenfabriek richting Kedichem varen. Daar kregen we een uur de tijd om wat hoognodige spullen van boord te halen. In mijn herinnering werd de plaatselijke burgemeester er door de Duitse soldaten bij gehaald welke voor ons gezin onderdak en woonruimte moest verzorgen. De naam van de familie waar we toen werden heengebracht was Stek of Sterk, de juiste naam weet ik niet meer. Mijn vader was ons schip zo ver mogelijk gevolgd maar uiteindelijk toch uit het oog verloren. Hij bleef echter zoeken en enkele daagen later ontdekte hij ons hij ons schip bij de betonfabriek in Arkel. Hij zag dat er machines uit de fabriek werden gehaal en in ons schip werden geladen. De belading van het schip werd een langdurige geschiedenis veroorzaakt door het feit dat iedereen die die bij de belading betrokken was om de haverklap dekking moest zoeken voor overvliegende vliegtuigen. Waarschijnlijk wilden de Duitser niet dat vanuit de vliegtuigen ook maar iets verdachts kon worden opgemerkt. Bovendien zal het nog aanwezige personeel van Betondak bewust langzaam acties hebben ondernomen. Maar uiteindelijk raakte het schip toch vol en vertrok met de “gevorderde” machines naar een onbekende bestemming. Mijn vader ging te rade bij het personeel van Betondak, maar niemand wist waarheen of in welke richting het schip was vertrokken. Scheepvaart was alleen maar mogelijk in donkere maanloze nachten en aangezien er in die tijd ook op varende schepen geen lichten werden gevoerd had het schip ongemerkt kunnen vertrekken. Op Kedichem verliepen de eerstvolgende wintermaanden vrij rustig. Veel overkomende vliegtuigen, dat wel. Dit in tegenstelling tot Arkel waar van alles gebeurde. We gingen daar vanuit Kedichem vaak met een groepje jongeren kijken, naar school gaan was er niet bij, dus tijd genoeg. Meerdere keren werden er schepen in het kanaal door jachtvliegtuigen beschoten, niet alleen de varende maar ook de afgemeerde schepen. Ongetwijfeld zal het de bedoeling van de geallieerden zijn geweest om het kanaal te blokkeren door gezonken schepen zodat scheepvaart onmogelijk zou worden. Ook treinverkeer trachtte men onmogelijk te maken door beschietingen van treinen en bobarderen van de spoorlijn, vooral in de buurt van de spoorbrug vielen veel bommen. Ook kan ik me herinneren dat er op Rietveld een V1 naar beneden is gekomen en ontploft met de nodige schade aan de omringde huizen. Al met al was er voor ons, jongeren, heel wat meer te beleven in Arkel dan in Kedichem. Na de capitulatie in mei 1945 gingen veel Nederlandse schippers op zoek naar hun, door de bezetter, gevorderde schepen. Er ontstond een soort netwerk van schippers die op zoek waren naar hun schepen. Telefoneren was in die dagen nog vrijwel onmogelijk, dus kon het soms wel enkele weken duren voordat er weer wat nieuws over teruggevonden schepen binnen kwam. Op zekere dag kwam er bericht binnen dat ons schip vermoedelijk in een grote Duitse industriestad lag, Duisburg of Dortmund, de juiste plaats wist de brenger van de goede boodschap echter niet. Het openbaar vervoer was nog niet op gang gekomen vandaar dat mijn vader op de fiets naar Duitsland peddelde, in het ongewisse in welke plaats hij zijn schip zou terugvinden. Onderweg moest hij bovendien onderdak voor de nacht zien te vinden en ook nog wat eten zien te bemachtigen, iets wat gezien de voedselschaarste niet mee viel. In één van de industriesteden aangekomen (welke van de twee weet ik niet meer) was het voor hem zoeken geblazen. Het leek op zoeken naar een speld in de hooiberg, maar hij had succes en vond zijn schip terug. Na een vluchtige verkenning van het schip bleek er weinig schade te zijn maar niet direct vaarklaar. De geroofde machines van Betondak bleken nog aan boord te zijn. Het koste mijn vader veel moeite om de motor weer aan de praat te krijgen, maar na diverse startpogingen begon de motor hortend en stotend te lopen. Het volgende probleem was, brandstof. De tanks waren nagenoeg leeg en tank of bunkerstations waren er nog niet. Maar gelukkig hielpen de schippers elkaar zo veel mogelijk en lukte het mijn vader om genoeg brandstof bij elkaar te sprokkelen voor de terugreis naar Holland. Via talrijke omwegen en omleidingen, wat veel extra reistijd vergde, arriveerde ons schip weer in Arkel waar ons gezin weer kon worden herenigd. De machines werden met vereende krachten bij betondak gelost en op hun plaats in de betonfabriek teruggezet. Hier eindigde het verhaal van onze disgenoot, uit Sijkenisse, wiens naam ik helaas vergeten ben.

 

J. Copier.