De redding van de Arkelse molen 1947/1948

 

Cees van Andel

 

Je kunt het je nauwelijks voor stellen, maar ooit stonden er in Arkel tien    watermolens bij voldoende wind lustig te draaien. Acht molens zorgden er voor dat de bewoners van Nieuwland en Leerbroek droge voeten hielden en twee molens hielden de Rietveldse polder droog. Met de komst van de stoomgemalen was hun taak afgelopen en werden ze helaas, net als zoveel gebouwen uit het verleden, afgebroken.

 

We hadden echter nog een molen, een korenmolen die de naam droeg van van een historische Arkelse persoon nl. JAN VAN ARKEL. Deze molen, gebouwd in 1852, is al vele jaren een gezichtsbepalend object in onze gemeente. Verschillende molenaars hebben met het malen van graan hun brood verdiend. Echter, aan alles komt een eind, er kwamen in den lande stoomgraanmaalderijen en het aanbod van graan aan de molens liep drastisch terug. Vlak na WO2 was er dan ook voor de Arkelse molenaar geen droog brood meer te verdienen met het malen van graan. Elektrische maalderijen hadden het werk van de windmolens overgenomen. In 1946 besloot molenaar Kees Scherpenisse, die al vanaf 1925 molenaar was, de pijp aan Maarten te geven en vroeg een vergunning aan om de molen te mogen slopen. Volgens hem was er een sloper in de molen geïnteresseerd die de molen, na afbraak, in Amersfoort weer op wilde bouwen.

                                                      Kees Scherpenisse

                                                                                   

 

Er ging een golf van verontwaardiging door onze gemeente “Onze molen slopen? het mooiste gebouw dat Arkel rijk is? Dat nooit”. De verontwaardiging was te begrijpen, maar er werd geen oplossing aangedragen. Zo vlak na de oorlog vierde de armoede ook in onze gemeente hoogtij en het was dan ook niet te verwachten dat er vanuit de burgerij een financiële oplossing zou worden aangedragen.

Natuurlijk kwam e.e.a. ook in  de Arkelse gemeenteraad aan de orde. Enkele raads-leden reageerden nogal laconiek. “Jammer dat de molen uit het Arkelse straatbeeld dreigt te verdwijnen, maar we hebben op het ogenblik wel andere zorgen aan ons hoofd”. Gelukkig dacht burgemeester Scheffer daar anders over. Hij hield de raad voor dat wat éénmaal afgebroken en verdwenen is nooit meer terug keert. Geslachten die na ons komen zullen ons nooit vergeven dat zo’n prachtige molen aan slopershamer is prijsgegeven. Als raad hebben we de plicht historische gebouwen voor het nageslacht te behouden.

De burgemeester wees de raad op een beschikking van de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van 21 mei 1946 dat alle wind– of watermolens werden aangemerkt als monumenten in de zin van artikel 7 van het besluit van 7 mei 1945 waaruit voortvloeide dat deze molens niet mochten worden gesloopt of veranderd dan na voorafgaande toestemming van de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg. E.e.a. had de burgemeester al eerder aan molenaar Scherpenisse meegedeeld. Deze had hem echter gezegd geen belangstelling meer te hebben voor zijn eigenlijke vak van molenaar.

De burgemeester praatte nogmaals in op de gemeenteraad. Hij kreeg steun van de Partij van de Arbeid, maar de leden van de Partij van de Vrijheid en de A.R. waren tegen. De P.v.d.A had echter de meerderheid in de Raad en  er werd een reddingsplan voor het behoud van de molen in gang gezet.

 

Onderzoek naar de staat van molen vond plaats en al spoedig bleek dat er nogal wat aan de molen mankeerde. De molen verkeerde in die dagen in verregaande staat van verval. Gedurende de oorlog was een gedeelte van de omloop vernieuwd. Het uit 1851 daterende bakstenen onderstuk deed     gedeeltelijk dienst als woning en gedeeltelijk als pakhuis van meststoffen. De rietbedekking moest worden vernieuwd en ook het houtwerk van de staart en de kozijnen was slecht.

 

Voor aankoop was f. 15.000,- - en voor restauratie een bedrag van ca.  f. 3.000,- - nodig, totaal dus f. 18.000,- -. Een bedrag dat in die naoorlogse jaren door de gemeente Arkel niet op te brengen was. Uiteindelijk  voteerde de raad voorlopig een bedrag van f. 9.000,- - en de burgemeester kreeg de opdracht de verdere benodigde gelden via overheid en bedrijfsleven te verkrijgen. Met de vasthoudendheid van een terriër beet de burgemeester zich vast in het onderwerp en wist op diverse plaatsen gehoor te vinden voor het probleem.

 

Allereerst richt de burgemeester zich middels een circulaire tot de Arkelse bevolking, maar dat levert financieel weinig respons op.

Bij het departement van Onderwijs Kunsten en Wetenschappen weet hij een bedrag van f. 6.000.- - los te peuteren, terwijl ditzelfde departement een renteloze lening van f. 2.000,- - toezegt. Betondak schenkt een bedrag van f. 1.500,- -. Het resterende bedrag zal uit de algemene middelen van de  gemeente moeten komen. B. en W. achten het uit cultureel en historisch oogpunt verantwoord deze uitgaven te doen en stellen de raad voor de    nodige gelden voor behoud en restauratie van de molen te doen. Er zijn reeds  gegadigden om het bedrijf op de molen voort te zetten.

 

De raadsleden Kros en van IJzeren vinden het allemaal wat te simpel gesteld. Zij vrezen dat f. 3.000,- - voor restauratie veel te weinig is. Als de kosten hoger uitvallen zullen we als gemeente daarvoor moeten opdraaien en dat zien de heren niet zitten. Na een verhitte discussie besluit de raad uiteindelijk de molen aan te kopen. De raadsleden Kros en van IJzeren stemden tegen. En zo kwam de molen door de enorme inzet van burgemeester Scheffer en dankzij subsidies, donaties en leningen op 30 december 1947 in eigendom van de Arkelse gemeente.

 

Er werd voortvarend begonnen aan de restauratie, maar al spoedig bleek dat de f. 3000,- , uitgetrokken voor de restauratie, niet toereikend zouden zijn. Er zou nog f. 3.250,- extra nodig zijn. Gelukkig werd hier een oplossing voor gevonden, de provincie zegde een bedrag van f. 2.000,- toe, een  bedrag dat later werd verhoogd tot f. 2.667,--.  Verder werd financiële steun verkregen van de bond Heemschut, de vereniging Stad en Landschap en de vereniging De Hollandse Molen.

 

En zo kunnen we vandaag, dankzij de inzet van velen, nog steeds genieten van onze prachtige molen.

Tenslotte: de molen werd van 1947 t/m 1952 verhuurd aan de bekende molenaarsfamilie Schuurman. Na 1952 werd de molen verhuurd aan de Kees Scherpenisse die er een veevoederbedrijf annex kunstmesthandel in  uitoefende. In 1953 kwam schoonzoon Gerrit den Adel in de zaak. Na het overlijden van Kees Scherpenisse werd hij opgevolgd door zoon Kees. Er werd toen, naast de bestaande activiteiten, een winkel in artikelen voor de sportvisserij  geopend. In 2010 toen Kees jr. de 65 jarige leeftijd had bereikt werd de zaak gesloten.

 

Na de gemeentelijke herindeling in 1986 kwam de molen in handen van de  gemeente Giessenlanden en werd in 1991 overgedragen aan de stichting tot instandhouding van Molens in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden.

De heer Bas de Deugd werd aangesteld als hobbymolenaar en hij laat de wieken op gezette tijden draaien.

 

In de loop der jaren zijn er diverse malen ingrijpende onderhouds werkzaamheden aan de molen verricht. De molen is nu echter toe aan een grondige onderhoudsbeurt die veel geld gaat kosten, maar desondanks toch zal worden uitgevoerd. Dit monument zal in ieder geval voor de gemeenschap behouden blijven.